© Long’s column – 1december 2006
©Robert Long

De laatste maand van het jaar vraagt volgens mij altijd wat extra verhalen, voor bij de haard, of onder de boom en anders zomaar.
Hier dus mijn decemberverhaal, voorafgegaan door mijn allerbeste wensen.
Ik hoop dat Sinterklaas en de kerstman de sfeer brengen waarnaar iedereen verlangde.
Bovendien wens ik iedereen een heerlijke jaarwissel en heel veel moois, goeds en liefdevols voor 2007.
De beelden zouden ons vervolgens het lege dorpsplein tonen, waar, voor café DE EENVOUD, nog wel wat tafels en stoeltjes stonden, maar waaraan duidelijk te zien was dat de activiteiten zich alweer naar binnen hadden verplaatst.
Door de ruiten van het café zou de camera ons mee naar binnen voeren, even rond gaan in het schijnbaar lege etablissement, waarin we wèl al wat onduidelijk gepraat horen, maar pas even later bij het groepje van een man of zeven blijven hangen. De gemiddelde leeftijd schatten wij op 55 plus. De lens richt zich nu op degene die aan het woord is.
Maar dit is geen filmscène. Het is een gewone vrijdagavond, ergens in een dorp zoals er niet zo heel veel meer zijn in Nederland, omdat ze steeds meer opgeslokt worden door steden en grotere gemeenten.
Hij keek zijn toehoorders om beurten aan en vervolgde: “Mijn grootvader deed dat werk al, mijn vader nam het van hem over en ik volgde mijn vader weer op.”
Wantjes kwam nog maar een paar weken in café “De Eenvoud”, maar hij voerde al spoedig het hoogste woord.
Nadat zijn zoon het bedrijf had overgenomen, verhuisde Wantjes Sr. naar een dorp dat zo’n 40 km verwijderd was van de plaats waar hij zijn werkzame leven had doorgebracht.
“Tegenwoordig noemen ze dat uitvaartzorg of teraardebestellingsservice of laatste reisagentschap en meer van die flauwekul, maar ik hou het op doodgraver.”
Hij wenkte de kastelein en gebaarde dat het hele gezelschap nog een consumptie wenste. Op zijn rekening, hij had tenslotte goed geboerd.
“Toen we nog gewoon doodgravers heetten, kreeg mijn vader eens een man binnen, die vrij plotseling was gestorven. Een loodgieter uit de buurt, die ongetrouwd was en, volgens de verhalen, een nogal afwisselend liefdesleven leidde. Piersma heette die. Achtenveertig. Harststilstand.
Ik kende Piersma wel, want hij deed bij ons thuis wel eens een klusje. De kraan repareren of de afvoer ontstoppen.”
De kastelein zette de consumpties op tafel en men hief het glas, terwijl de oude Wantjes zijn verhaal vervolgde.
“Het was een drukke periode. De dag daarvoor waren er twee doden binnengebracht die deze namiddag opgebaard moesten liggen in de rouwkamer.
Twee mannen van rond de zestig. Ik was toen zo’n jaar of 14 en mocht af en toe meehelpen als mijn vader en z’n compagnon de handen vol hadden.”
“Wat moest je dan doen?”, vroeg boer Ten Kaate. Een vriendelijke vijftiger, die op een klein boerderijtje aan de rand van het dorp woonde, samen met zijn licht debiele broer en een ongehuwde zuster, die het huishouden met duidelijke tegenzin verrichte, boos in zichzelf mompelend en norse blikken op de wereld werpend.
“Ja wat moest ik doen”, peinsde Wantjes, “zo’n beetje alles waartoe ik op die leeftijd in staat was.
Helpen sjouwen met kisten, en later mocht ik helpen soigneren. Dus zorgen dat de overledene er zo vredig mogelijk uit zag.
Kruidenier Paanakker wilde weten of dat geen griezelig werk was.
“Nee, niks griezelig” antwoordde Wantjes, “het wassen en zo deed mijn vader of z’n compagnon en ik moest de doden daarna vaak aankleden en hun haar kammen. Dat soort dingen. Ik heb dat altijd machtig mooi werk gevonden.”
“Het zou mijn baan toch niet zijn”, mompelde ouderling Spijker, die vanwege zijn kerkelijke functie een enkele keer wel eens met sterfgevallen te maken had.
“In elk geval”, ging de oude Wantjes verder, “moesten die twee dus gekleed en gekapt worden en intussen waren mijn vader en z’n compagnon bezig met loodgieter Piersma, in de wasruimte”.
Er waren twee kostuums, een bruin en een donkerblauw en ik weet niet of één van jullie wel eens een lijk heeft aangekleed, maar dat is nog een hele klus.”
“Ja, veel medewerking zul je niet mogen verwachten”, grinnikte notaris Pot.
Van het aanwezige gezelschap stond hij nog het dichtst bij de dood, qua beroep.
Afgezien van Wantjes natuurlijk.
“Ik was net bezig om de tweede stropdas te strikken”, vervolgde Wantjes, “toen ik uit de wasruimte opgewonden kreten hoorde. Ik was benieuwd wat er aan de hand was en ging kijken. Ik hoorde mijn vader en z’n collega verbaasd roepen dat ze zoiets nog nooit hadden gezien. Allemachtig, riep Albert, mijn vaders compagnon. Als ik dat aan mijn vrouw vertel, gelooft ze me niet. Dit is een kinderarm!”
Boer Ten Kaate, zoals gezegd een vriendelijk mens, maar niet al te snugger, hoewel men, bij zijn broer vergeleken, zou kunnen stellen dat hij om een boodschap gestuurd kon worden, hoewel niemand dat risico nam.
Hoe dan ook, Ten Kaate keek niet begrijpend om zich heen: “Een kinderarm?”
Ook van de Rhee, gepensioneerd timmerman en nogal zwijgzaam - van wie beweerd werd dat hij soms naakt door de tuin achter zijn huis liep maar wat niemand ooit persoonlijk had waargenomen - ook van de Rhee scheen niet helemaal mee te zijn en herhaalde de vraag: “Een kinderarm? Wie had een kinderarm?”
De oude Wantjes sloot een ogenblik zijn ogen en zei toen: “Piersma, de loodgieter”.
Van de Rhee scheen het te snappen: “Had ie polio gehad of zo.”
“Of hoe heet dat”, ouderling Spijker kneep zijn ogen stijf dicht, “die pillen destijds… eh… superol of zoiets”.
Notaris Pot verbeterde: “Softenon”.
“Neee!” riep Wantjes geïrriteerd, “Piersma mankeerde niks, die bleek alleen een enorm geslacht te hebben, vergelijkbaar met een kinderarm. Wat grootte betreft dus.”
Boer Ten Kaate zei: “Oooh!!”
En Paanakker: “Op die manier.”
Notaris Pot gaf de kastelein een wenk en even later stond er een nieuwe ronde voor het gezelschap.
Slager Hassels, die vroeger zelf altijd geslacht had toen dat nog was toegestaan en dus waarschijnlijk wat minder huiverig stond tegenover de dood omdat hij heel wat bloed had zien vloeien, vroeg: “Heb je die kinderarm zelf gezien?”
“Nee”, Wantjes schudde zijn hoofd, “want op dat moment ging de winkelbel en moest ik gaan kijken wie er binnenkwam. Het bleek de weduwe van één van de overledenen die ik zojuist had aangekleed. Mevrouw van der Donck, ik zal het nooit vergeten.
Haar man was bankdirecteur geweest, en volgens mijn vader gedroeg zij zich alsof die bank van haar was, inclusief haar echtgenoot, die thuis blijkbaar weinig had in te brengen. Een arrogant en omhooggevallen mens was het en ik was een beetje bang voor haar.
Ik was pas veertien.
Ze wilde weten of alles in orde was. En of haar man “er netjes bijlag”, zoals ze dat noemde.
Ik nam haar mee naar de betreffende kist, toevallig van dezelfde soort, als die andere. Een mahoniehouten met satijnen voering. Allebei duur en stijlvol. Ze verstijfde.”
Hij nam een slok uit zijn glas en vervolgde: “DAT IS NIET HET KOSTUUM VAN MIJN MAN!, gilde ze. MIJN MAN DRAAGT GEEN BRUINE PAKKEN!
Ze draaide totaal door. Dat haar man altijd alléén maar donkerblauwe kostuums droeg en dat over een uur de rouwkamer open zou gaan en dat ze EISTE dat haar man zijn blauwe pak zou dragen als hij daar opgebaard lag.
Kortom, het was een heisa van jewelste.
Mijn vader kwam op het kabaal af en wist de weduwe van der Donck te kalmeren.
Hij zei: Mevrouw, we hebben nog een uur de tijd. Gaat u alstublieft een kopje koffie drinken en als u dan terug komt is alles picobello in orde.”
Ouderling Spijker boog voorover en zei wat smalend: “En ik dacht dat het zo’n klus was om dooie mensen aan te kleden. Dat zit je net te beweren.”
Spijker was eigenlijk een vervelend mannetje.
Een beetje een gluiperdje, er altijd op uit ons iemand op zijn woorden te vangen. Althans, als het iemand was waarbij hij dacht zich dat te kunnen permitteren.
Tegen over de notaris zou hij zich dat niet in z’n hoofd halen, evenmin als tegen de dokter of de dominee.
Maar Wantjes leek hem wel een partij waarbij hij zich enige kritiek kon veroorloven.
Zoals hij ook de weduwe Braams regelmatig probeerde te ontregelen, wanneer zij weigerde met hem in discussie te gaan over het geloof.
Ouderling Spijker had zichzelf als heilig doel gesteld om de weduwe ervan te overtuigen, dat een bestaan als ongelovige wel ongeveer het laagste was dat hij zich kon indenken. Zij lachte hem dan recht in z’n gezicht uit en zei: “Waarin U gelooft is Uw zaak, ik geloof in iets anders”.
En als hij dan wilde weten wáárin dan wel, dan zei ze: “vlinders, blauwe regen, voorjaarsgeuren, lentebuitjes, ouwe paarden in de wei”.
Dat bracht hem uit zijn balans. Daar kon hij niks mee.
Zelfs zijn geloofsgenoten noemden hem achter zijn rug: Ouderling zeikerd.
Spijker zei: “Ik snap sowieso niet waarom al die moeite wordt gedaan om reeds gestorvenen nog op te doffen en in mooie kleren te wurmen. Je laatste kostuum heeft toch geen zakken.
Eenmaal staan wij allen naakt voor…”
Wantjes keek hem fronsend aan en antwoordde koel: “Dat is jouw opvatting en die kennen we. Maar ik was zowat twee uur met die lijken bezig geweest, en dat zei ik ook tegen m’n vader: dat halen we nooit pa,
zei ik.
Mijn vader gebood me om te gaan zitten en nam tegenover me plaats. Hij zei: als je in dit bedrijf hogerop wilt komen jongen, dan moet je praktisch leren denken. Sommige dingen zijn onmogelijk, zolang de mensen leven. Totdat ze overlijden, daarna kan alles. Dat is het mooie van ons vak, en dat moet je goed onthouden.
Ga jij Decker maar helpen (dat was m’n vaders compagnon, Albert Decker) dan regel ik dit akkefietje wel.”
De kastelein kwam erbij zitten. Hij was het soort cafébaas dat je de indruk wist te geven, dat je blij mocht zijn als je überhaupt werd toegelaten, en nog véél blijer wanneer je de verlangde consumptie ook inderdaad kreeg voorgezet. Een buitenstaander zou hem al gauw taxeren op:
type grote vaart, woest leven achter de rug en wie maakt me wat. En bovendien voorzien van een kaal hoofd, een woeste snor en een imposant lichaam.
In werkelijkheid had hij zijn geboorteplaats nog nooit verlaten, op één trip naar ouwehands dierenpark na.
In zijn vrije tijd fokte hij kanaries, hield schildpadden en maakte siersmeedwerk, kortom een duidelijk voorbeeld van ruwe bolster, blanke pit.
“Hoelang heb je dat werk eigenlijk gedaan, Wantjes?”, vroeg hij.
“Ruim tweeënveertig jaar.” Wantjes zei het met een triomfantelijke ondertoon, “en ik had het nog wel tien jaar willen doen, maar mijn zoon voerde allerlei vernieuwingen in waar ik het helemaal niet mee eens ben.”
“Zoals wat?”, wilde de kastelein weten.
”Oh computers natuurlijk en ludieke uitvaarten, as-uitstrooiing op zee, per luchtballon of desnoods per parachute, allemaal moderne fratsen.
Maar goed, toen ik Decker wilde gaan helpen, bleek dat de loodgieter al gewassen was en met een laken overdekt op de tafel lag.
Ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar die kinderarm van Piersma. Dus tilde ik het laken behoedzaam op en keek eronder.”
“En wat zag je”, vroeg slager Hassels verlekkerd.
Wantjes nam weer een slok en antwoordde: “niets. Een grote prop watten en verder niks”.
“Tijd voor de laatste ronde, mannen” de kastelein wachtte niet af maar schonk de glazen nog eens vol.
“Veel later hoorde ik”, Wantjes glimlachte bij de herinnering, “dat Decker het geslacht van Piersma had afgesneden, in een krant had gerold en meegenomen naar huis. Om aan zijn vrouw te laten zien. Die was niet thuis. Bij thuiskomst legde hij het geval op het aanrecht en ging zich douchen. Dat deed hij dagelijks. Hij stapte net frisgewassen de keuken binnen en zag zijn vrouw de krant uitrollen.
Voor Decker iets kon zeggen, riep z’n echtgenote: Ach god, is Piersma dood?!”
Notaris Pot lachte het langst.
“Die man heeft blijkbaar menig gat gedicht. Hartaanval zei je toch?”
Van de Rhee, de timmerman vroeg: “Hoe is het afgelopen met die kostuums?”
De oude Wantjes leegde zijn glas en zei: “toen de weduwe van der Donck terugkwam, lag haar man er keurig bij. Donkerblauw pak, de juiste stropdas, keurig gekapt.
Binnen drie kwartier had mijn vader de hele klus geklaard.
Ik kon er met mijn verstand niet bij.
Alleen met het strikken van twee stropdassen was ik al bijna een half uur doende geweest.
En hij had in z’n eentje…”
Ouderling Spijker mompelde: “Alles is ijdelheid. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.”
Als hij wat gedronken had vloeiden de teksten rijkelijk over zijn dunne lippen.
“Gelijk het gras is ons korstondig…”
De kastelein onderbrak hem ongegeneerd: “Mannen ik ga sluiten”.
“Effe wachten Evert”, gebood de notaris, “want ik vermoed dat we een kijkje krijgen in des doodgravers keuken. Of vergis ik me, Wantjes?”
Spijkers sprak met stemverheffing: “Al ’t aardse goed bij één gegaard is in de eeuwigheid niets waard”.
Wantjes stond op en trok zijn jas aan.
“Ik vrees dat de geest vaardig is geworden over broeder Spijker. Ik vertel de rest wel een volgende keer”.
Notaris Pot keek de ouderling indringend aan en sprak: “Spijker is juist op weg naar huis, zou ik zo zeggen, is het niet, waarde vriend?”
En voordat de notaris was uitgesproken stond de vrome baas al bij de deur, zette zijn hoed op en verdween zonder groeten, buiten haastig zijn jas aanschietend. “Nou goed”, zei Wantjes en overhandigde de kastelein zijn deel van de rekening.
“Ik zei dus: Pa, ik ben twee uur bezig geweest om die lui aan te kleden en te soigneren en jij doet dat in drie kwartier. Hoe heb je die kostuums zo snel verwisseld?
Mijn vader keek me aan met twinkelende ogen en een flauwe glimlach om zijn mond.
”Weet je zeker dat je later de zaak wilt overnemen?”
En ik zei: “Ja, dat weet ik zeker.”
Toen zei hij: “Ik heb je al gezegd dat na de dood alles mogelijk is, weet je nog?”
Ik knikte.
“Welnu, ik heb die pakken niet verwisseld, alleen de hoofden.”
NOGMAALS: Alle goeds voor het nieuwe jaar en tot later,
Robert Long.
| commentaar 1—10 of 20 | volgende |
Copyright © 2006, Robert Long
Het is zondag middag, dus tijd voor Robert Long zijn muziek. Bedankt Robert je 'leeft' nog steeds!
30 Augustus 2009 16:02 Antwoorden op