© Long’s column – 15 september 2006

Er zijn geloven, stromingen, filosofieën, die ervan uitgaan dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad.
Ook al lijkt het erop dat er iets goeds tot stand komt; uiteindelijk zal het worden overwoekerd door al die slechtigheid waaraan het mensdom zich zo hartstochtelijk overgeeft.
Aan de andere kant bestaan er ook groeperingen die ervan overtuigd zijn dat de mensheid, diep vanbinnen, hevig verlangt naar rust, vrede en geborgenheid en dus het liefst in omstandigheden leeft waar het goede overheerst.
Ikzelf ben geneigd om me – vaak tegen beter weten in – tot de 2e categorie te rekenen.
Natuurlijk weet ik ook wel dat er altijd een percentage hufters bereid is om roet in het eten te gooien. En ik zie ook wel dat er zat klootzakken bestaan die voor hun eigen stompzinnige lol mensen in elkaar trappen, krassen op nieuwe auto’s maken of in iemands brievenbus staat te zeiken, met hun bezopen smoel.
Toch wil ik het liefst geloven dat de meeste mensen graag in harmonie met de rest van de wereld willen leven.
Ik ken tenminste niemand persoonlijk die er behagen in schept om anderen te verminken, te verkrachten, vermoorden, te bestelen, pijn te doen of anderszins te beschadigen.
Behalve in de beerput die we onder de verzamelnaam “Politiek” kunnen samenvatten.
Toen ik voor het eerst las en hoorde over politieke praktijken die het daglicht niet konden verdragen, was ik diep geschokt en verbijsterd, net zoals toen Sinterklaas niet bleek te bestaan. Ik weigerde te geloven dat regeringen b.v. aanslagen pleegden (nou ja: lieten plegen) in hun eigen land, door hun eigen soldaten, maar verkleed in het uniform van de – zogenaamde – vijand.
Alleen maar om een smoes te hebben om die “vijand” te bevechten.
Ik was met stomheid geslagen toen ik las hoe Amerika destijds de indianen “hielp” door in tijden van koude en armoe dekens boven de reservaten te droppen, om die arme stakkers niet dood te laten vriezen. Alleen hadden ze die dekens wel voorzien van allerlei bacteriën en ziektekiemen waardoor die indianen stierven aan cholera of andere kwalen.
Ik dacht toen nog: zo cynisch en doortrapt kan een regering toch niet zijn?
In die tijd wist ik nog weinig van de 1e en 2e wereldoorlog.
Toen was ik nog niet zo op de hoogte van al die drogredenen waaruit genocide, concentratiekampen, martelingen, vluchtelingen en massagraven voortkwamen.
Toen het eenmaal tot me was doorgedrongen dat “de wereldpolitiek” hoofdzakelijk om macht draait, om eigenbelang, hebzucht en het manipuleren van “de waarheid” ben ik een tijdlang behoorlijk uit het lood geslagen geweest.
Mijn vertrouwen in “de overheid”, alles wat “officieel” was, “het gezag”, de “hogere instanties”, had een enorme deuk gekregen.
En die is ook nooit meer verdwenen.
Integendeel, die is alleen maar groter geworden.
Als vertrouwen eenmaal is omgeslagen in wantrouwen, is het bijna onmogelijk geworden om te geloven dat je – in de politiek – nog kunt spreken van “de goeden niet te na gesproken”.
Zijn er wel goeden?
Ik heb het nog een tijdje geprobeerd met sommige politici “het voordeel van de twijfel te gunnen, maar dat streven is uiteengespat op de barre feiten.
Niet alleen door al die gladjanussen in ons eigen land, met hun “dat hoort u mij niet zeggen” en “het kan toch niet zo zijn dat” en “dat zijn uw woorden”, maar ook door de grote jongens in Engeland, Israël, Amerika, China, Rusland en vul zelf maar verder in.
Na een ontspannen en harmonieus weekend bij vrienden in Limburg, waar, op een prachtige, zonovergoten nazomerzondag, een rommelmarkt werd gehouden, en waar iedereen ontspannen rondliep, tussen al die overbodige spulletjes die de mensen voor een euro of 50 cent van de hand deden en waar men goedmoedig met elkaar stond te kleppen, een pilsje dronk of een frietje mèt snoepte, zagen we thuis een programma op TV over de 11e september 2001.
Over de verschillende theorieën rond de aanslagen op de Twintowers en het Pentagon.
Wie het niet gezien heeft moet alsnog proberen om dat te herstellen. Via internet of DVD.
De documentaire heet LOOSE CHANGE, 2ND EDITION.
Hoe absurd al die complottheorieën ook mogen zijn (de Amerikaanse overheid zou er zelf de hand in hebben om een reden te creëren een oorlog in Afghanistan en later Irak te beginnen) ik zou niet van mijn stoel vallen als het zou blijken te kloppen.
De enorm machtige wapenindustrie zou er zeer bij gebaat zijn en de oliebelangen mogen we ook niet uit het oog verliezen.
Even terzijde: hoe kan het dat Shell een recordwinst boekt omdat de olieprijzen stijgen?
Als grondstofprijzen omhooggaan zou je toch denken dat de winst dan dus daalt? Hetzelfde geldt voor de zg. (geprivatiseerde) nutsbedrijven.
Superwinsten: NUON, ENECO, of hoe al die roversbendes mogen heten, draaien als een tierelier.
Als ik mijn platen in prijs zou verhogen – b.v. omdat de prijs voor de grondstof van een CD stijgt – verkoop ik waarschijnlijk minder en verdien dus ook minder.
Terug naar de feiten. We weten intussen dat Engeland en Amerika gelogen hebben over de zg. massavernietigingswapens in Irak. Dat zijn overigens wapens die die landen zelf in groten getale bezitten en produceren.
We weten ook dat de herboren Gristen Bush keihard heeft gelogen over gevangenissen buiten Amerika, waar gevangen “terroristen”, zonder proces werden verhoord, vernederd en gemarteld.
We weten intussen eveneens dat Blair het begrip “waarheid” enorm ruim kan interpreteren, evenals zijn collegae in de rest van Europa.
Als je dan, na zo’n heerlijk ontspannen weekend in Limburg, thuis zo’n documentaire ziet, waarin experts ervan overtuigd zijn dat het WTC van binnenuit werd opgeblazen, en dat het Pentagon bewust is beschadigd door lieden binnen de regering, dan ga je toch twijfelen of die pessimisten, die de mens tot alle kwaad in staat achten, misschien niet toch gelijk hebben.
Desondanks probeer ik optimistisch te blijven. Tenslotte hebben we twee houten tuinstoelen gekocht (voor 40 eurocent) en twee glazen kaarsbeschermers voor buiten (50 cent).
Ik ga er maar vanuit dat we daar de komende zomer plezier van kunnen hebben.
Laten we het hopen.
Tot later,
Robert Long
Copyright © 2006, Robert Long