
Stel nou dat ik opeens de geest zou geven. Niet dat me dat nu opeens meer bezighoudt dan vroeger, maar de afgelopen maanden ben ik natuurlijk wel veel dwingender geconfronteerd geweest met mijn sterfelijkheid.
Maar hoe zou mijn leven dan geboekstaafd moeten worden?
Als ik het zelf zou moeten benoemen, ben ik geneigd het te betitelen als: "uiteindelijk toch een successtory".
Er was geen veelbelovend begin.
Geboren in de oorlog, met schaarste, honger, armoe en angst.
Geen slim kind, gescheiden ouders, vaak verhuisd, van de ene school naar de andere, opgevoed door ooms en tantes, buren, kindertehuizen en vriendinnen van m'n vader.
En dan ook nog homosexueel.
De gemiddelde kinderpsycholoog kan je vertellen dat er niks van zo'n kind terecht zal komen.
En daar zag het in het begin ook wel naar uit. Eigenlijk was ik nogal - wat de Belgen noemen - een éénzaat.
Weinig vriendjes, op school nogal een sul, liever tekenen en lezen dan gymnastiek, liever touwtje springen dan voetballen. Ik wilde ook nooit piloot, politieagent of brandweerman worden. Liever poppenkastspeler, circusclown of bij de fanfare.
Achteraf zijn er heel wat dromen uitgekomen. Tenslotte is theater ook een vorm van poppenkast. Ik ben jarenlang als een soort circusartiest langs de schouwburgen getrokken en heb liedjes gemaakt met muzikanten en orkesten, en hopelijk doe ik dat laatste nog heel lang. Bovendien ben ik rijk beladen met Edisons, prijzen en gouden platen.
Ook wat de liefde betreft is me veel goeds ten deel gevallen, hetgeen resulteerde in een handvol lieve vrienden en vriendinnen en een onvervangbare echtgenoot.
Valt er dan niets te klagen?
Nee, er valt niets te klagen!
Dat betekent niet dat ik dan dus ook niet klaag of heb geklaagd.
Ik heb wat afgejankt om verloren liefdes. Om mislukte plannen. Om gestorven vrienden. Om doodgereden huisdieren.
Ik heb gekankerd om gedwarsboomde plannen, verregende vakanties, niet nagekomen afspraken en misselijke recensies.
Maar dat weegt niet op tegen het besef dat er eigenlijk niks te klagen valt. Er was altijd een dak boven mijn hoofd. Ik heb nooit oorlogstrauma's gehad. Geen honger geleden. Bijna altijd eerlijke, competente mensen om me heen gehad.
Een paar onvergetelijke collega's ontmoet. Altijd uitmuntende medewerkers gehad.
En zo kan ik nog heel lang doorgaan.
"Ja maar", hoor ik menige criticus al roepen.
"Je hebt toch tegen heel wat heilige huisjes geschopt".
En daar hebben ze gelijk in.
Ik heb nou eenmaal een aangeboren afkeer van dingen die de wereld ontregelen. Hypocrisie, hebzucht, leugenachtigheid, domheid en zo nog het een en ander.
Ik weet wel dat al die zaken moeilijk zijn uit te roeien. In mezelf is dat nog altijd een stevig gevecht en in de wereld, vrees ik, zal het altijd aan de orde blijven.
Maar daar wens ik me niet bij neer te leggen, hoe goed ik het, in ons deel van de wereld, ook mag hebben.
Ik kan heel slecht tegen de zelfverzekerdheid van types als Rita Verdonk.
Ik ben het niet (meer) eens met mensen die vinden dat alles gezegd moet kunnen worden, ook als anderen zich daardoor gekwetst voelen.
Ik hoef geen waardering meer van mensen die Gordon en Joling en Patty Brard als representatief beschouwen voor de Nederlandse cultuur. Of die vinden dat Ali B. daar iets aan bijdraagt.
En ik wil geen lintje uit naam van een mevrouw wier grootste verdienste is dat ze uit een geslacht stamt dat zichzelf als nobel, edel en adellijk beschouwt, terwijl de wereld draait dankzij vuilnismannen, ziekenzorgers, postbodes, buschauffeurs, brandweerlieden, middenstanders, huisvrouwen, ambachtslieden en al die anderen die nooit een koninklijke onderscheiding ontvangen.
Zoals gezegd ben ik al genoeg gelauwerd. Mijn leven heeft zich langs grillige kronkelpaden ontwikkeld. En ik had er, achteraf, geen seconde van willen missen.
Op het moment dat ik ontdekte dat ik een flikker ben natuurlijk wel, maar nu niet meer.
Of de dag dat mijn destijdse lief verliefd bleek te zijn op een ander: graag.
Toen ik niet won op die talentenjacht: verschrikkelijk.
Die keer dat een vriend aan kanker stierf: afschuwelijk.
De eerste geflopte plaat, mijn zoveelste mislukte relatie, de dood van 3 trouwe fans binnen een jaar, de onthutsende aanslag op de New Yorkse twintowers; maar hoe erg ook, het heeft mijn leven bepaald.
Als ik dus plotseling de geest zou geven, is er maar één conclusie mogelijk: Long heeft een afwisselend leven geleid waaruit hij geleerd heeft dat, ondanks tegenslagen, het leven doorgaat en goed kan zijn.
Misschien dat ik daar over 20 jaar weer anders over denk, maar dat zien we dan wel weer.
Als ik het tenminste haal! Maar nogmaals, ik had er geen seconde van willen missen.
Tot later,
Robert Long.
PS Voor wie een brief stuurt: zet er s.v.p. altijd je adres op, ook de min of meer "vaste" schrijvers. We zijn voorlopig erg veel onderweg en hebben natuurlijk niet ons adressenbestand bij ons. En anders blijft de post wel heel erg lang onbeantwoord.
epqexjwm http://gnbbqdak.com fgcqmjyw jndylhze
18 Mei 2008 08:51 Antwoorden op