Zo'n twee maanden later…
De meeste boeketten zijn alweer aan 't verteren en de stapel beterschapwensen groeit nog steeds.
Er komen ook steeds meer mails en brieven die eigenlijk verwachten dat ik ook terugschrijf. Maar dat is het mooie van een hartinfarct: iedereen adviseert me om te leren NEE zeggen.
En iedereen heeft gelijk.
Als het een ietsiepietsie anders zou zijn gegaan, dan had ik, samen met de boeketten, al liggen te composteren. Dan had ik nooit meer iemand terug kunnen schrijven en dan had de wereld ook gewoon doorgedraaid, net als nu.
De afgelopen weken heb ik veel over het begrip "leven" nagedacht en de verwarring begint al meteen bij het woord. Leven is niet alleen een werkwoord maar ook een zelfstandig naamwoord. En dat zelfstandig naamwoord kan je dan ook weer opdelen in het leven en jouw leven.
Het kan best zijn dat jouw leven heerlijk is, terwijl het leven een ramp is.
Of dat het voor sommige mensen/volken/werelddelen een ramp is.
Nu mijn leven toch nog niet ten einde blijkt te zijn, ben ik blij dat ik nog leef, hoewel die blijdschap regelmatig wordt verdreven door mijn ongeduld, m'n irritatie over mijn conditie en mijn onvrede in het algemeen.
Iemand in één van de vele rampgebieden op de wereld, zal weer een totaal andere visie op het leven en zijn leven hebben dan ik op het mijne.
Nou heb ik al heel lang moeite met mensen die roepen dat "het leven verrukkelijk is". Of dat "de natuur het mooiste is dat er bestaat" en meer van dat soort platitudes.
"Het leven" is net zo'n onbruikbare verzamelnaam als "de liefde" of "de mens".
Iedereen kan met die begrippen alle kanten op maar het zegt geen bal.
Ik heb er intussen "een paar maanden bijgekregen", en wellicht word ik ver in de 90. Tenslotte rook ik niet meer, beweeg meer dan de laatste jaren, eet nog gezonder en regelmatiger etc.etc.
Maar uiteindelijk is het alleen maar uitstel van executie.
Het is natuurlijk een fijne gedachte dat ik waarschijnlijk mijn nieuwe CD toch nog kan opnemen. Anders was "BRAND!" mijn laatste geweest. En misschien maak ik er nog wel een stuk of wat en hopelijk zijn er dan nog heel wat mensen die daar plezier van hebben, maar zou het nou echt zo heel veel verschil maken?
Stel nou dat over een paar weken blijkt dat mijn hart toch te veel beschadigd is om nog op te kunnen treden…
Carré zal zijn deuren niet sluiten. Mijn publiek zal zich niet massaal in zee storten, van hoge gebouwen of viaducten werpen of zich collectief van het leven beroven.
Als mijn erfgenamen het een beetje slim aanpakken, lukt het ze om postuum de CD-verkopen tot nieuwe pieken op te zwepen (de erven Sonneveld zijn daar meesters in, ik bewonder dat zéér) maar dat impliceert dat ik als artiest beter nu het leven kan verlaten want dat levert meer op dan blijven bestaan.
Leuk hè, die economische werking.
Maar toch blijft de vraag steeds om me heen hangen: "Is mijn leven prettig?"
Als ik mijn zegeningen tel, zou het antwoord "ja" moeten zijn.
Er is voldoende voedsel, kleding, vervoer.
Er wordt aangenaam gewoond, er is liefde, fijn werk, er zijn vrienden, bewonderaars, aardige mensen, en de dood is weer even uit het directe zicht.
Maar dan komt het ongenoegen al vrij snel om de hoek kijken.
Ik mag dan nog wat uitstel van executie hebben gekregen, maar opeens hoor ik wèl tot een categorie mensen waar ik helemaal niet bij wil horen.
Ik ben opeens een HARTPATIËNT.
Dat wil ik niet zelf natuurlijk, maar op straat kom je hoofdzakelijk mensen tegen die je wèl zo benaderen.
"Hoe gaat het nu?"
"Wil het alweer een beetje?"
"Zeker wel geschrokken hè?"
"Mijn man is aan een hartaanval gestorven."
Ineens lijkt de wereld te bestaan uit louter hartlijders.
Iedereen heeft wel een broer of een buurman, echtgenoot, collega, partner of is zelf getroffen geweest.
Nog treuriger voel ik me als ik in het ziekenhuis moet zijn voor onderzoek of controle.
Ik ben er plotseling lid van een droevigstemmende stroom zestigplussers met een ziekte.
Als een vermoeide spermatozoa zwem ik mee in de stroom nierpatiënten, prostaatproblemen en hartkwalen, op zoek naar het eitje dat bevrucht moet worden met mijn specifieke eigenschappen. Langs balies, inschrijfpunten en wachtkamers, tot ik bij de juffrouw ben die ik mijn pasje toon en die me wijst waar ik moet gaan zitten in afwachting van prik, scan, echo of consult.
Dan vind ik het leven, en zeker het mijne, op dat moment helemaal niet aangenaam.
Nog minder aangenaam is het, in mijn optiek, als ik heb gelopen, gefietst en gefysiotherapiet, en ik voel m'n spieren kraken.
"Da's juist goed", jubelt de omgeving "want dat betekent dat je spieren op hun donder krijgen, da's goed! Dat hoort erbij!" (Want er hóórt van alles bij!)
Mijn ogen worden minder. Komt door de medicijnen. "Dat hoort erbij", meldt men.
Sinds 'n paar maanden rook ik dus niet meer. Daar moet je je ook beter van gaan voelen.
Maar ik word af en toe flink kortademig. Door de medicijnen. "Dat hoort erbij!" roept men blijmoedig.
Ik heb bijna een halve eeuw gerookt en ben nog nooit kortademig geweest!!
Ik bedoel maar te zeggen: als mijn voorland zou zijn dat ik voortaan kippig, kortademig en met pijnlijke spieren door weer en wind moet fietsen omdat dat zo goed is voor mijn hart…
En als ik op die manier 82 kan worden wanneer ik óók nog's geen vlees, friet, roomboter en nog minstens 50 heerlijkheden achterwege laat (wat ik al doe maar niet van harte)…
Zij die het weten kunnen zeggen dat ik veel te ongeduldig ben. En dat ik over een half jaar blij ben dat… En dat ik me dan weer helemaal… En dat ik het leven dan weer… Als ik dan ook nog een kilo of 5, 6 afval dan zal je zien…
Mijn schat zegt het niet, maar hij zal me soms wel een ontevreden klootzak vinden.
Hij heeft gelijk.
Tot later,
Robert Long.
Long. ©